WETEN

Czasownik: weten, czyli wiedzieć Czas teraźniejszy: ik weet – ja wiem jij weet – ty wiesz hij weet – on wie wij weten – my wiemy jullie weten – wy wiecie zij weten – oni wiedzą Wie weet? – Kto wie? Ik weet niet of hij het weet. – Nie wiem czy on wie. Hoe […]

ĆWICZENIE: MIJN / JOUW / UW

Wstaw barkujące słówko: mijn / jouw / uw / zijn / haar / ons/onze / jullie / hun Dit is …………….. boek. (ik) Mijn hobby is…. (ik) Zij is …………. zus (wij) Wat is …………….. e-mailadres? (je) Mijn thuis is …………… kasteel. Ze bereikten ………. doel. (zij) Dit is …………. hond. (je) Zijn jullie voor […]

ODMIANA CZASOWNIKÓW – PYTANIA

Odmień prawidło czasownik: zijn Wat ……………… een beroep? komen Hoe …………….. dat? gaan Met wie …………….. u op reis? kunnen Hoe ……………….. hij zijn adres het beste invullen? wonen ………. deze persoon in Amsterdam? werken Waar ………… deze persoon? zijn Wat …………….. uw ervaring? fietsen Waar ………… de kinderen naartoe? schrijven Over wie ………………. u […]

ODMIANA CZASOWNIKÓW – PRACA

Odmień prawidłowo czasownik: hebben           Ik …………….. een nieuwe baan gevonden. zijn                  …………….. je uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek? hebben           Hij ………………….. een minimuminkomen. zijn                  Discriminatie …………………… in principe verboden. mogen            Wij ………………. vrij wonen en werken in de landen van de Europese Unie. komen            Wij ……………….. graag in contact met jou. kunnen        […]

KLAARMAKEN

Klaarmaken – skończyć, ukończyć, zakończyć, przygotować Czas teraźniejszy: ik maak klaar – ja przygotowuje jij maakt klaar – ty przygotowujesz hij maakt klaar –  on przygotowuje wij maken klaar – my przygotowujemu jullie maken klaar – wy przygotowujecie zij maken klaar – oni przygotowują Ik maak het eten klaar. – Przygotuje jedzenie. Je  maakt je […]

CZASOWNIK ODMIANA – ĆWICZENIE PODRÓŻ

Odmień prawidłowo czasownik: kosten                  Wat …………………. de reis? zijn                        Het …………….. helaas een lange reis. kunnen                In heel Nederland ……………… je in de trein, bus, tram en metro reizen uitchecken          Je …… altijd eerst …. . overstappen       Je ……………. van een NS-trein. kosten                 Een persoonlijke OV-chipkaart …………… € […]

CZASOWNIKI – MIX ĆWICZEŃ 2

Odmień prawidłowo czasownik:  zijn                 Het is mooi ……… vandaag. blijven           Het …………. vanavond bewolkt maar droog. beginnen      Morgenochtend …………. de dag zonnig. dalen             De temperatuur …………. tot 9 °C overdag. worden         Vanaf zondag …………… het overdag warmer. starten          […]

CZASOWNIKI – MIX ĆWICZEŃ

Odmień prawidłowo czasownik: gebruiken    Ik ………………. mijn OV-chipkaart. komen    Dan ……………… je bij het station. vertrekken    De trein ……………………. van spoor 3. willen     ……………. je naar Amsterdam? zullen    …………….. wij  naar de bioscoop gaan? zijn    Hoe ver ……………. van Den Haag naar Rotterdam? nemen    ………….. tram 25!  gaan    Na 150 meter …………….. je rechtsaf. […]

OVERWERKEN

Overwerken – pracować (robić) nadgodziny Czas teraźniejszy: ik werk over – ja pracuje nadgodziny jij werkt over – ty pracujesz nadgodziny hij werkt over – on pracuje nadgodziny wij werken over – my pracujemy nadgodziny jullie werken over – wy pracujecie nadgodziny zij werken over – oni pracują nadgodziny Ik werk op maandag en woensdag […]

FORMA ZWROTNA -ĆWICZENIA

Odmień prawidłowo czasownik: zich haasten ………………………… …………. niet! z ich melden Hij ………………… ………….. bij de baas. zich herinneren ………………… Laura ……… alles?  zich schamen  Julia …………………… ……….. diep. zich vergissen  Hij …………….. …………….. nooit. zich melden  …………………… jullie …… bij de baas. zich vervelen …………… u …….. nooit? zich haasten  Marcin en Pawel ……………….. […]

FORMA ZWROTNA

Dziś słowem wstępu forma zwrotna czasownika. Czasowniki zwrotne występują zawsze z zaimkiem zwrotnym: me (mij), je, u, zich, ons  Ik was me. Schaam jij je niet? Herinnert u zich dat nog?  Wij kleden ons aan. Hij scheert zich. * * * Jak odmieniamy taki czasownik? Zwyczajnie (tradycyjnie)! Odmieniamy czasownik co do osoby, klasycznie oraz dodatkowo […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 4

Kilka nowych słówek rozdzielnie złożonych w formie ćwiczenia 🙂 Odmień prawidłowo czasownik rozdzielnie złożony: terugfietsen         Robert ……………… vandaag alleen ……….. . afsluiten         Ik ……………… mijn auto …………. . meebrengen         Jij ………………. bloemen …….. . uitspreken       Jullie ………………… de woorden ……. . afbetalen             Marina en Rob …………… zijn schulden ……. . losmaken          ………… haar veters ……. […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 3 (PYTANIA)

Odmień prawidłowo czasownik w pytaniu: nadenken ……………………… je soms ……. ? terugbrengen  ……………… hij het boek …….. ? opruimen ……………….. je de spoelen …….. ? meebrengen …………….. zij bloemen ……. ? uitnodigen ……………. Jan zijn vrienden …… ? vasthouden …………….. u hond ……… ? dichtdoen ………….. jullie  de deur ……….. ? opendoen ……….. zij een […]

VERLIEZEN

Verliezen – zgubić, zagubić, przegrać Czas teraźniejszy: ik verlies – ja tracę jij verliest – ty tracisz hij verliest – on traci wij verliezen – my tracimy jullie verliezen – wy tracimy zij verliezen – oni tracą   ….. – to miejsce zostawiamy na razie puste i zachęcamy Was do stworzenia własnych zdań 🙂 * […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 2

Odmień prawidło czasowniki rozdzielnie złożone w pytaniach: opstaan        Hoe laat ……………. je ……… ? toegaven      ………………… je het ……….. ? omslaan       ……………. je de bladzijde …… ? weggaan      …………….. u ……. ? uitgaan        ……………. je vanavond …….. ? opstaan       ………………..Laura en Bas vroeg …….. ? uitstellen     ………….. u […]