LITERA – K

de kaars – staaf van brandbaar materiaal met een lont om aan te steken de kaart – stuk papier met plaatsen, wegen en andere aardrijkskundige gegevens of stuk dik papier met een afbeelding of tekst die je aan iemand kunt sturen of een van de stukjes dik papier met een afbeelding en cijfer, waarmee je een spel kunt spelen of lijst met gerechten de kaas – geel of wit product […]

LITERA – J

ja – je zegt dit woord als antwoord als je iets zo vindt als gevraagd wordt het jaar – periode van twaalf maanden of periode van 1 januari tot en met 31 december jagen – (dieren) proberen te vangen of (iets of iemand) proberen te verwerven of dwingen te gaan in de richting van de jas – kledingstuk voor buiten, over je bovenkleren jij – degene tegen wie je praat […]

LITERA – I

de / het idee – wat je (over iets of iemand) denkt of wat je ineens bedenkt ieder – je zegt dit woord als je alles en iedereen bedoelt iedereen – alle personen iemand – persoon zonder dat je weet wie iets – niet veel, niet zo erg of als je niet weet of wil zeggen waar het precies over gaat het ijs – bevroren water of bevroren lekkernij het […]

HULPWERKWOORDEN

Dziś mamy dla Was małą ściągawkę z czasowników posiłkowych w języku niderlandzkim! Znacie je wszystkie? HULPWERKWOORDEN – czasowniki posiłkowe 1. MODALE HULPWERKWOORDEN – czasowniki modalne kunnen moeten willen zullen mogen hoeven 2. ANDERE HULPWERKWOORDEN – inne czasowniki posiłkowe m.in.: komen, doen, laten, gaan 3. HULPWERKWOORDEN  VAN TIJD – czasowniki posiłkowe czasu czasu przeszłego: hebben zijn czasu przyszłego zullen gaan (dopuszczalny) 4. HULPWERKWOORDEN  VAN DE LIJDENDE VORM – czasowniki posiłkowe strony […]

LITERA – H

de haan – mannelijke kip de haar – elk van de dunne buigzame sliertjes die uit je lichaam groeien, vooral op je hoofd / haar – je gebruikt dit woord als je over een vrouw praat haast – nog net niet helemaal of snel iets moeten doen de hal – ruimte achter de voordeur of zeer grote overdekte ruimte halen – er naar toe gaan en het meenemen of erin […]

LITERA – G

gaan – bewegen en daardoor van plaats veranderen of beginnen met een handeling of kunnen, mogelijk zijn of passen of zich ontwikkelen, verlopen het gat – ruimte die niet gevuld is of achterwerk, billen of kleine plaats, klein dorp gebeuren – iets wat plaatsvindt de gebeurtenis – iets dat gebeurt het gebied – stuk land of alles wat bij een bepaald onderwerp hoort de geboorte – moment dat een kind […]

LITERA – F

falen – niet het verwachte resultaat opleveren de familie – alle bloedverwanten samen: vader, moeder, etc. het feest – bijeenkomst om een vrolijke gebeurtenis te vieren of (jaarlijkse) herdenking van een vrolijke of bijzondere gebeurtenis het feit – iets waarvan zeker is dat het gebeurd is of dat het waar is fel – hevig of sterk of met veel emoties of zeer opvallend fijn – van kleine of dunne deeltjes […]

LITERA – E

Litera E echt – niet vals, geen namaak of werkelijk, heus een – woord dat voor een enkelvoudig zelfstandig naamwoord staat zonder het precies aan te geven één – het cijfer 1 de eend – watervogel met platte snavel eenheid – de basis van meten en tellen of wat niet verdeeld is of afzonderlijke organisatie in het leger eenzaam – situatie waarin andere mensen zich niet om je bekommeren of […]

LITERA – D

Litera D daar – op die plaats of er wordt een reden of argument genoemd daarom – om die reden, vanwege die oorzaak de dag – tijd van middernacht tot middernacht, 24 uur of tijd waarin het licht is / dag  – wat je zegt als begroeting of als afscheid dan – gebruik je bij een vergelijking of na woorden zoals ander en anders dansen – mooie bewegingen maken op de maat […]

WERKWOORD

    vervoegen Ik loop naar huis. Hij is morgen jarig. Zij schrijft een e-mail. regelmatige werkwoorden Hij werkte in een fabriek. Ze renden weg. Hij nam een omweg. tegenwoordige tijd Hij schijnt erg aardig. Jij werkt hard. Ik werk in een fabriek. onvoltooid verleden tijd Hij ging het huis binnen. Zij danste bij een beroemd ballet. Ik kwam thuis. voltooide tijd Ik ben voor mijn rijbewijs geslaagd. Zij heeft […]

POJĘCIA GRAMATYCZNE

Dziś wpis związany z pojęciami gramatycznymi. Poniżej znajdziecie wykaz podstawowych pojęć gramatycznych i ich nazwy (odpowiedniki w języku polskim). Jeśli coś pominęliśmy lub jest nie zrozumiałe dajcie znać w komentarz lub pod adresem mailowym: blog@lekcjaholenderskiego.nl * * * lidwoord – rodzajnik bepaald – określony onbepaald – nieokreślony zelfstandig naamwoord – rzeczownik verkleinwoord – zdrobnienie bijvoeglijk naamwoord – przymiotnik trappen van vergelijking – stopniowanie przymiotnik/przysłówka telwoord – liczebnik voornaamwoord – zaimek […]

CZASOWNIKI NIEREGULARNE V-Z

Litera V verzinnen  –  verzon /verzonnen  –  verzonnen vallen  –  viel /vielen  –  gevallen vangen  –  ving /vingen  –  gevangen varen  –  voer /voeren  –  gevaren vechten  –  vocht /vochten  –  gevochten verbieden  –  verbood /verboden  –  verboden verbinden  –  verbond /verbonden  –  verbonden verdrinken  –  verdronk /verdronken  –  verdronken verdwijnen  –  verdween /verdwenen  –  verdwenen vergelijken  –  vergeleek /vergeleken  –  vergeleken vergeten  –  vergat /vergaten  –  vergeten verlaten  –  […]