ĆWICZENIE: MIJN / JOUW / UW

Wstaw barkujące słówko: mijn / jouw / uw / zijn / haar / ons/onze / jullie / hun Dit is …………….. boek. (ik) Mijn hobby is…. (ik) Zij is …………. zus (wij) Wat is …………….. e-mailadres? (je) Mijn thuis is …………… kasteel. Ze bereikten ………. doel. (zij) Dit is …………. hond. (je) Zijn jullie voor […]

ODMIANA CZASOWNIKÓW – PYTANIA

Odmień prawidło czasownik: zijn Wat ……………… een beroep? komen Hoe …………….. dat? gaan Met wie …………….. u op reis? kunnen Hoe ……………….. hij zijn adres het beste invullen? wonen ………. deze persoon in Amsterdam? werken Waar ………… deze persoon? zijn Wat …………….. uw ervaring? fietsen Waar ………… de kinderen naartoe? schrijven Over wie ………………. u […]

ODMIANA CZASOWNIKÓW – PRACA

Odmień prawidłowo czasownik: hebben           Ik …………….. een nieuwe baan gevonden. zijn                  …………….. je uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek? hebben           Hij ………………….. een minimuminkomen. zijn                  Discriminatie …………………… in principe verboden. mogen            Wij ………………. vrij wonen en werken in de landen van de Europese Unie. komen            Wij ……………….. graag in contact met jou. kunnen        […]

CZASOWNIK ODMIANA – ĆWICZENIE PODRÓŻ

Odmień prawidłowo czasownik: kosten                  Wat …………………. de reis? zijn                        Het …………….. helaas een lange reis. kunnen                In heel Nederland ……………… je in de trein, bus, tram en metro reizen uitchecken          Je …… altijd eerst …. . overstappen       Je ……………. van een NS-trein. kosten                 Een persoonlijke OV-chipkaart …………… € […]

CZASOWNIKI – MIX ĆWICZEŃ 2

Odmień prawidłowo czasownik:  zijn                 Het is mooi ……… vandaag. blijven           Het …………. vanavond bewolkt maar droog. beginnen      Morgenochtend …………. de dag zonnig. dalen             De temperatuur …………. tot 9 °C overdag. worden         Vanaf zondag …………… het overdag warmer. starten          […]

CZASOWNIKI – MIX ĆWICZEŃ

Odmień prawidłowo czasownik: gebruiken    Ik ………………. mijn OV-chipkaart. komen    Dan ……………… je bij het station. vertrekken    De trein ……………………. van spoor 3. willen     ……………. je naar Amsterdam? zullen    …………….. wij  naar de bioscoop gaan? zijn    Hoe ver ……………. van Den Haag naar Rotterdam? nemen    ………….. tram 25!  gaan    Na 150 meter …………….. je rechtsaf. […]

FORMA ZWROTNA -ĆWICZENIA

Odmień prawidłowo czasownik: zich haasten ………………………… …………. niet! z ich melden Hij ………………… ………….. bij de baas. zich herinneren ………………… Laura ……… alles?  zich schamen  Julia …………………… ……….. diep. zich vergissen  Hij …………….. …………….. nooit. zich melden  …………………… jullie …… bij de baas. zich vervelen …………… u …….. nooit? zich haasten  Marcin en Pawel ……………….. […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 4

Kilka nowych słówek rozdzielnie złożonych w formie ćwiczenia 🙂 Odmień prawidłowo czasownik rozdzielnie złożony: terugfietsen         Robert ……………… vandaag alleen ……….. . afsluiten         Ik ……………… mijn auto …………. . meebrengen         Jij ………………. bloemen …….. . uitspreken       Jullie ………………… de woorden ……. . afbetalen             Marina en Rob …………… zijn schulden ……. . losmaken          ………… haar veters ……. […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 3 (PYTANIA)

Odmień prawidłowo czasownik w pytaniu: nadenken ……………………… je soms ……. ? terugbrengen  ……………… hij het boek …….. ? opruimen ……………….. je de spoelen …….. ? meebrengen …………….. zij bloemen ……. ? uitnodigen ……………. Jan zijn vrienden …… ? vasthouden …………….. u hond ……… ? dichtdoen ………….. jullie  de deur ……….. ? opendoen ……….. zij een […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 2

Odmień prawidło czasowniki rozdzielnie złożone w pytaniach: opstaan        Hoe laat ……………. je ……… ? toegaven      ………………… je het ……….. ? omslaan       ……………. je de bladzijde …… ? weggaan      …………….. u ……. ? uitgaan        ……………. je vanavond …….. ? opstaan       ………………..Laura en Bas vroeg …….. ? uitstellen     ………….. u […]

CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE

Odmień prawidłowo czasownik rozdzielnie złożony: innemen  Ik …………….. een pijnstiller ………….. natekenen  Ik …………….. de prachtige bloemen ……… uitgaan Ik …………………. 5 keer per week ………… . omspoelen  Ik …………………. het glas …………… afkijken Hij ………………  ………… aanzetten Ik ………….. de televisie …………. . uitrusten ……………… jij maar even …….. . afspreken Nee, ik …………………. […]

TRYB ROZKAZUJĄCY – ĆWICZENIE

Odmień prawidłowo czasownik: (gaan) Jan, …………………. in huis kijken.   (kopen) Nou, ………………… het dan niet. (schrijven) Ja, ………………… erover op je laptop. (kijken) …………….. mensen! (lezen) …………………de verklaring voor. (rijden) …………………… je weg. (komen) …………………… , rijd met me mee. (wacht) …………….. even! (luisteren) …………………..  naar me. (zeggen) Alsjeblieft, ……………… zulke dingen niet. (blijven) ………………… […]

EXRTA ĆWICZENIE HEBBEN I ZIJN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: hebben We ………………een ongeluk gehad. Ik ……………… gewonnen. ………………… hij je gepest? ………….. je gedronken? Gefeliciteerd, u ……………. gewonnen. We …………………. gisteren getennist. Ik ……………. het bedrag overgeboekt. Het ………….. geregend vannacht. Ze ……………….. niets gezegd. Wij …………… kilometers lang gelopen. Paul ………… net gebeld. Wat …………… hij gezegd? Hij ……………… […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: DOEN

Odmień prawidłowo czasownik: doen Je …………………  me schrikken. We ……………… alles samen. Wat …………….. jij hier? Wat ……………….. wij voor u? Wie ……… vanavond afwassen? ……………… je spullen in je tas! Ze …………. het elke week fietsen. ……………. niet zo gek! Wat …………….. je nu? Wat …………………….je vanavond? Je ……………… nu meteen! Waarom ………………. je […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: KOMEN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: komen Wanneer …………….. we aan? Jij ……………… ze zo ophalen.  Mijn ouders ……………….. me ophalen. Ik …………… je afhalen. Zij ………….. hier niet logeren. Hij …………….. uw dochter helpen. Ik …………….. vandaag dit doen. U………………. spelen. Patryk ………………… het eten klaarmaken. Ik ………………. morgen bij je eten. Wie ………………… me helpen? […]