ODMIEŃ CZASOWNIK W PYTANIU 4

Odmień poprawnie czasownik w pytaniu:

Wie ….. (gaan) morgen onze konijnen ….. (eten) ….. (geven)?

Wat ….. (zijn) de kosten van dit pakket?

Wie ….. (hebben) het hoogste cijfer voor Nederlands?

Wie ….. (gaan) als eerste zijn spreekbeurt ….. (houden)?

Welke winkel ….. (hebben)de mooiste jurken?

Wat voor test …. (krijgen) we op donderdag?

….. (weten) jij wat de voordelen van leren op een laptop …. (zijn)?

Wat ….. (gaan) jij doen om je cijfers op te ….. (halen)?

Hoe ….. (weten) ik welk busstation ik moet ….. (hebben)?

Ik ….. (willen) ….. (weten) wie dat heeft gedaan!

Dodaj komentarz

Twój adres e-mail nie zostanie opublikowany. Wymagane pola są oznaczone *