ĆWICZENIE 19: CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 DOEN

Odmień prawidłowo czasownik: doen

  1. Je …………………  me schrikken.
  2. We ……………… alles samen.
  3. Wat …………….. jij hier?
  4. Wat ……………….. wij voor u?
  5. Wie ……… vanavond afwassen?
  6. ……………… je spullen in je tas!
  7. Ze …………. het elke week fietsen.
  8. ……………. niet zo gek!
  9. Wat …………….. je nu?
  10. Wat …………………….je vanavond?
  11. Je ……………… nu meteen!
  12. Waarom ………………. je dat niet.
  13. Niet …………….. – Ja, wel!
  14. Zij ……………… hem aan iemand denken.
  15. Ik ………………..het zo snel mogelijk.
  16. Ik ………….. het volgende week.

Dodaj komentarz

Twój adres e-mail nie zostanie opublikowany.