ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 7

1 Staan Mijn fiets staat tegen de boom. 2 Gaan Het gaat goed met de zieke. 3 Staan De borden staan in de kast. 4 Doen Wie doet de vaat vanavond? 5 Staan Het huis staat in brand. 6 Gaan Hoe gaat het? 7 Zien Ik zie dat anders dan jij. 8 Doen Ik doe […]

ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 6

1 Noemen Mijn vrienden noemen me Mini. 2 Bedoelen Wat bedoel je precies? 3 Fietsen Hij fietst van Amsterdam naar Utrecht. 4 Noemen Wij noemen hem Patryk. 5 Fietsen als je fietst?! 6 Bouwen Robert bouwt een huis. 7 Trouwen Wij trouwen op zaterdag . 8 Huilen Veel mensen huilen tijdens grote gebeurtenissen.

ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 5

1 Luisteren Kinderen luisteren niet altijd. 2 Googelen Jij googelt niks. 3 Veranderen Ik zal deze jurk veranderen. 4 Voorkomen  Voorkomen is beter dan genezen. 5 Schilderen Hij schildert met veel inzet een regenboog. 6 Googelen Ik googel de naam van de organisatie. 7 Goochelen Hoelang goochel je al? 8 Schilderen Jij schildert mijn kozijnen. […]

ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 4

1. Gooien -> Gooi je me eruit? 2. Bloeien -> Tulpen bloeien snel. 3. Groeien -> Planten groeien snel na regen. 4. Draaien -> Wij draaien ons om. 5. Gooien -> Gooi de bal terug naar mij! 6. Groeien -> Ik groei er wel in. 7. Groeien -> Er groeit onkruid in de tuin. 8. […]

ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 3

Vertellen -> Ik vertel je geen geheimen. Rennen -> Ren jij naar huis? Klussen -> Mark klust iedere dag. Putten -> Wij putten hier onze kracht uit. Bestellen -> Patric en Juliaan bestellen een pizza.  Stoppen -> De boeren stoppen met jagen. Pakken -> Pak jij die doos even aan. Zakken -> Ik zak voor […]

ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 2

sparen -> Mijn zus spaart veel geld. spelen -> Het kind speelt met een bal repareren -> De monteur repareert de auto leren -> Marcin leert niks. vragen -> Zij vraagt/vragen iets aan Adam. maken -> Ze maakt/maken een toets. halen -> Jij haalt ons op het vliegveld af. spelen -> Julia speelt op mijn […]

ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 1

Odpowiedzi: werken -> De man werkt hard. fietsen -> Fiets jij naar school? drinken -> Ola drinkt geen alcohol. zoeken -> Patryk zoekt zijn sleutels. vinden -> Vindt je moeder dat wel goed? je moeder -> zij ruiken -> Ik ruik aan de roos. genieten -> Wij genieten van de vakantie. glijden -> De kinderen […]

ODPOWIEDZI

IK, MIJN, MIJ …. JIJ hebt ook een fiets. -> JOUW/JE fiets is groen. -> De fiets is van JOU/JE TY ZIJ heeft een foto. -> Het is HAAR foto. -> Die foto is van HAAR ONA U hebt een papier. -> Het is UW papier. -> Dat papier is van U . PANI HIJ […]