TRYB ROZKAZUJĄCY – ĆWICZENIE

Odmień prawidłowo czasownik: (gaan) Jan, …………………. in huis kijken.   (kopen) Nou, ………………… het dan niet. (schrijven) Ja, ………………… erover op je laptop. (kijken) …………….. mensen! (lezen) …………………de verklaring voor. (rijden) …………………… je weg. (komen) …………………… , rijd met me mee. (wacht) …………….. even! (luisteren) …………………..  naar me. (zeggen) Alsjeblieft, ……………… zulke dingen niet. (blijven) ………………… […]

EXRTA ĆWICZENIE HEBBEN I ZIJN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: hebben We ………………een ongeluk gehad. Ik ……………… gewonnen. ………………… hij je gepest? ………….. je gedronken? Gefeliciteerd, u ……………. gewonnen. We …………………. gisteren getennist. Ik ……………. het bedrag overgeboekt. Het ………….. geregend vannacht. Ze ……………….. niets gezegd. Wij …………… kilometers lang gelopen. Paul ………… net gebeld. Wat …………… hij gezegd? Hij ……………… […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: DOEN

Odmień prawidłowo czasownik: doen Je …………………  me schrikken. We ……………… alles samen. Wat …………….. jij hier? Wat ……………….. wij voor u? Wie ……… vanavond afwassen? ……………… je spullen in je tas! Ze …………. het elke week fietsen. ……………. niet zo gek! Wat …………….. je nu? Wat …………………….je vanavond? Je ……………… nu meteen! Waarom ………………. je […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: KOMEN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: komen Wanneer …………….. we aan? Jij ……………… ze zo ophalen.  Mijn ouders ……………….. me ophalen. Ik …………… je afhalen. Zij ………….. hier niet logeren. Hij …………….. uw dochter helpen. Ik …………….. vandaag dit doen. U………………. spelen. Patryk ………………… het eten klaarmaken. Ik ………………. morgen bij je eten. Wie ………………… me helpen? […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: GAAN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: gaan  Wat ………………..de kaartjes kosten?  ……………….  we verhuizen. Ze ……………. beginnen. ……………… zitten! Wat …………….. jullie doen? Vanavond ………………… we dansen. ………………. door met werken! ………………. door met werken! Zij ……………….vliegen naar Italie. Hoelang ……………… dit duren? Waarom ……………… we niet kamperen? lk ………………. ‚m bellen. Het ………….. regenen.

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: LATEN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: laten   ………………….. we ons verzoenen. ……………….. we feesten. …………….. we uitgaan. …………………….. we verder gaan. Wij ……………… hem spelen. ……………… mijn arm los! Ik zal je ………………… huilen. Leven en …………….. leven. ……………….. me dit anders zeggen. ……………….. vallen. ………………… we eerlijk zijn. …………….. we voetbal spelen. …………. me zien […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 5 ĆWICZENIE 2

Odmień prawidłowo czasownik: zullen: Ik …………. het uitleggen. Het ……………. hen lukken. Hij ……………. je bellen. Anita ………… u terugbellen. …………… jullie hen helpen? Het ………… wel, Wiola. Hij …………. je schrijven. Je ………….. moeten oefenen. Dawid ………… je mailen. Wij ………. je die auto lenen. Ik weet zeker dat hij …………….. winnen. Je ……….. […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 5 ĆWICZENIE

Odmień prawidłowo czasownik: zullen: ………….. we morgen afspreken? Dat …………… wel normaal zijn. …………. je vandaag gaan schaatsen? We ………….. zien. Dat ………… wel. We ………….. het morgen afwerken. Wat ……………. we doen? ……….. jullie koffie gaan drinken? ………… ik samen spelen? Dan ………… ik je troosten. Wanneer ………….. hij er zijn? Wij ………… jou […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 4 ĆWICZENIE 2

Odmień prawidłowo czasowniki: zijn                Gelukkig …………..ze zo gewoon gebleven. hebben          ………… je de kinderen wel opgehaald? zijn                Piotr …………..naar de stad geweest. hebben         Ik ……….. enorm genoten van onze lunch samen. hebben         Ik ……………..haar opgehaald. zijn                Samen ……………we in het park geweest. zijn       […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 4 ĆWICZENIE

Odmień prawidłowo czasownik: zijn            Nu ………………. we getrouwd. hebben     Wat …………. je gegeten? hebben     Ik ………….. gepakt. hebben     Ik ……………. boeken gelezen. zijn            Gelukkig …………. ze zo gewoon gebleven. hebben     …………. jullie gedronken? zijn            Ze ………………. niet terug gekomen. hebben    Ik ……………… wel eens beter gegeten. hebben    […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 3 ĆWICZENIE 2

Dziś zamiast wpisu gramatycznego kolejne ćwiczenie z odmiany czasowników modalnych: kunnen, hoeven, zullen Zaczniemy od ściągawki: * * * ik kan jij kunt hij kan wij kunnen jullie kunnen zij kunnen  * * * ik hoef jij hoeft hij hoeft wij hoeven jullie hoeven zij hoeven * * * ik zal jij zult hij zal […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 3 ĆWICZENIE

Dziś kolejne ćwiczenie z czasownikami modalnymi: willen / moeten / mogen Mogen    Hij …………..op straat fietsen. Moeten   Zij ……………… altijd thuis schoonmaken. Willen    Nee, ik ………………. geen boodschappen halen. Ik heb het druk.  Moeten  Wat ……………… je elke dag na het eten doen? Willen    Hij ……………. heel graag later studeren. Willen    Waarom ………………… hij […]

CZASOWNIKI POSIŁKOWE 2 ĆWICZENIE

Zanim przejdziemy do ćwiczenia mamy dla Was odmianę trzech czasowników modalny: willen, moeten, mogen: ik wil jij/je wilt jij/je wil u wilt hij/zij/het wil wij willen jullie willen zij willen * * * ik moet jij/je moet u moet hij/zij/het moet wij moeten jullie moeten zij moeten * * * ik mag jij/je mag u […]

ODMIANA CZASOWNIKÓW 1-7 ĆWICZENIE

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: 1 Vinden Deze ……………….. ik mooi. 2 Zien Ik ……………… een mooie bloem. 3 Werken Ik ……………….. in een ziekenhuis. 4 Hebben Ik ……………. werk nodig! 5 Denken lk …………… dat. 6 Gaan Ik ………….. slapen. 7 Bellen lk ……………….. terug. 8 Zien Ik …………….. het wel. 9 Zitten We …………… […]

ODMIANA CZASOWNIKA 7 ĆWICZENIE

Uzupełnij poniższe zdania, prawidłowo odmieniając czasownik: 1 Staan Mijn fiets ……… tegen de boom. 2 Gaan Het ……… goed met de zieke. 3 Staan De borden ……… in de kast 4 Doen Wie ………. de vaat vanavond? 5 Staan Het huis ……… in brand. 6 Gaan Hoe ………. het? 7 Zien Ik ……… dat anders […]