CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 3 (PYTANIA)

Odmień prawidłowo czasownik w pytaniu:

  1. nadenken ……………………… je soms ……. ?
  2. terugbrengen  ……………… hij het boek …….. ?
  3. opruimen ……………….. je de spoelen …….. ?
  4. meebrengen …………….. zij bloemen ……. ?
  5. uitnodigen ……………. Jan zijn vrienden …… ?
  6. vasthouden …………….. u hond ……… ?
  7. dichtdoen ………….. jullie  de deur ……….. ?
  8. opendoen ……….. zij een raam …… ?
  9. uitzoeken ………….. wij een meloen ……. ?
  10. opschieten ………. jij lekker …. ?
  11. uitlachen ………… Julia hem …….. ?
  12. weggooien …………… hij niets ……. ?

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.