CZASOWNIKI ROZDZIELNIE ZŁOŻONE – ĆWICZENIE 2

Odmień prawidło czasowniki rozdzielnie złożone w pytaniach:

  1. opstaan        Hoe laat ……………. je ……… ?
  2. toegaven      ………………… je het ……….. ?
  3. omslaan       ……………. je de bladzijde …… ?
  4. weggaan      …………….. u ……. ?
  5. uitgaan        ……………. je vanavond …….. ?
  6. opstaan       ………………..Laura en Bas vroeg …….. ?
  7. uitstellen     ………….. u de afspraak …….. ?
  8. achterblijven     ………….. Inka en Jan …….. ?
  9. aanwijzen        ……………… jullie de plek …….. ?
  10. inschrijven      ……………. je je dochter ….. ?
  11. opzeggen         …………… wij het abonnement …. ?
  12. opbellen          ………….. jij je moeder ……… ?
  13. afwassen         …………… Anika en Mischia de pannen …… ?

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.