CZASOWNIKI POSIŁKOWE 6 – ĆWICZENIE: GAAN

Wstaw prawidłowo odmieniony czasownik: gaan 

  1. Wat ………………..de kaartjes kosten?
  2.  ……………….  we verhuizen.
  3. Ze ……………. beginnen.
  4. ……………… zitten!
  5. Wat …………….. jullie doen?
  6. Vanavond ………………… we dansen.
  7. ………………. door met werken!
  8. ………………. door met werken!
  9. Zij ……………….vliegen naar Italie.
  10. Hoelang ……………… dit duren?
  11. Waarom ……………… we niet kamperen?
  12. lk ………………. ‚m bellen.
  13. Het ………….. regenen.

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.