CZASOWNIKI POSIŁKOWE 3 – ĆWICZENIE

Dziś kolejne ćwiczenie z czasownikami modalnymi: willen / moeten / mogen

  1. Mogen Hij …………..op straat fietsen.
  2. Moeten Zij ……………… altijd thuis schoonmaken.
  3. Willen Nee, ik ………………. geen boodschappen halen. Ik heb het druk. 
  4. Moeten Wat ……………… je elke dag na het eten doen?
  5. Willen Hij ……………. heel graag later studeren.
  6. Willen Waarom ………………… hij eten?
  7. Mogen ………………….. ik jou iets vragen? 
  8. Moeten Ik …………….. hard studeren omdat ik mijn examen heb.
  9. Mogen Ja hoor, jij ………………. mij iets vragen. 
  10. Willen ………….. jullie ook muziek luisteren?
  11. Moeten Jullie ………………. bij de bushalte wachten op de bus. 
  12. Willen Hij …………………. eten omdat hij honger heeft.
  13. Mogen …………………. ik hier gaan zitten? 
  14. Willen  Wat wil jij voor je verjaardag hebben?
  15. Willen Nee, wij ……………….. geen muziek luisteren, wij houden niet van muziek.
  16. Mogen Nee, jij …………………. daar niet zitten. Dat is de stoel van moeder.
  17. Moeten Waar ……………….. wij wachten op de bus?
  18. Mogen ………………… ik binnenkomen?
  19. Moeten Ik ……………. ’s ochtends ontbijt maken. 
  20. Mogen Ja zeker, jij ……………….. binnenkomen.
  21. Mogen …………………. wij even muziek luisteren?
  22. Mogen Nee, jullie ……………….. nu geen muziek luisteren. Het is al laat.
  23. Mogen  …………………. Anita naar de tv kijken? 
  24. Moeten Wat …………………… jij ’s ochtends doen?
  25. Moeten Ik …………….. elke dag na het eten mijn tanden poetsen.
  26. Willen Hij ……………. drinken omdat hij dorst heeft. 
  27. Willen ……………… jij even boodschappen halen?

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.