CZASOWNIKI POSIŁKOWE 3 ĆWICZENIE 2

Dziś zamiast wpisu gramatycznego kolejne ćwiczenie z odmiany czasowników modalnych: kunnen, hoeven, zullen Zaczniemy od ściągawki:

* * *

ik kan

jij kunt

hij kan

wij kunnen

jullie kunnen

zij kunnen 

* * *

ik hoef

jij hoeft

hij hoeft

wij hoeven

jullie hoeven

zij hoeven

* * *

ik zal

jij zult

hij zal

wij zullen

jullie zullen

zij zullen 

* * *

Ćwiczenie: odmień prawidłowo czasownik:

kunnen Ze ……………. zelf rijden.

zullen We ………….. zien.

zullen Wat ……………. we doen?

kunnen We ……………. vanavond beginnen.

kunnen Misschien ……………… we praten.

zullen …………… we samen spelen?

kunnen Je …………….. langer leven

hoeven Hij ……………….. dit niet te doen.

kunnen Jullie ……………….. vissen.

hoeven Jullie ……………… niet te gaan.

zullen Wanneer ……………… we er zijn?

zullen Ik ………………… uw order bespoedigen

hoeven Zo …………… hij helemaal niet!

kunnen Ik ………………… minder vet eten

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.