ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 2

sparen -> Mijn zus spaart veel geld.

spelen -> Het kind speelt met een bal

repareren -> De monteur repareert de auto

leren -> Marcin leert niks.

vragen -> Zij vraagt/vragen iets aan Adam.

maken -> Ze maakt/maken een toets.

halen -> Jij haalt ons op het vliegveld af.

spelen -> Julia speelt op mijn sax.

horen -> Wij horen bekende geluiden.

maken -> Ik maak zelf ook muziek. 

leren -> Ik leer Nederlands.

praten -> Wij praten lang met hem.

wonen -> Nu woont hij in Amsterdam.

studeren -> Hij studeert aan de universiteit.

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.