ODPOWIEDZI – ODMIANA CZASOWNIKÓW 1

Odpowiedzi:

werken -> De man werkt hard.

fietsen -> Fiets jij naar school?

drinken -> Ola drinkt geen alcohol.

zoeken -> Patryk zoekt zijn sleutels.

vinden -> Vindt je moeder dat wel goed? je moeder -> zij

ruiken -> Ik ruik aan de roos.

genieten -> Wij genieten van de vakantie.

glijden -> De kinderen glijden op het ijs.

verdwijnen -> De maan verdwijnt achter de wolken.

krijgen -> Mijn vriend krijgt een brief.

regenen – > Het regent de hele dag.

schilderen -> Jullie schilderen mijn kamer.

werken  -> Werk jij vandaag?

zoeken -> Zij zoekt/zoeken de auto.

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.