ODMIANA CZASOWNIKÓW 2 ĆWICZENIE

Uzupełnij poniższe zdania, prawidłowo odmieniając czasownik:

1 sparen -> Mijn zus …………… veel geld.

2 spelen -> Het kind ……………. met een bal

3 repareren -> De monteur ………………. de auto

4 leren -> Marcin ………….. niks.

5 vragen -> Zij …………… iets aan Adam.

6 maken -> Ze …………. een toets.

7 halen -> Jij …………….. ons op het vliegveld af.

8 spelen -> Julia ………….. op mijn sax.

9 horen -> Wij ……………… bekende geluiden.

10 maken -> Ik ……………. zelf ook muziek. 

11 leren -> Ik ………………. Nederlands.

12 praten -> Wij …………… lang met hem.

13 wonen -> Nu …………. hij in Amsterdam.

14 studeren -> Hij …………… aan de universiteit.

Powodzenia

TEAM LEKCJA HOLENDERSKIEGO

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.