ODPOWIEDZI

IK, MIJN, MIJ ….

    1. JIJ hebt ook een fiets. -> JOUW/JE fiets is groen. -> De fiets is van JOU/JE TY
    2. ZIJ heeft een foto. -> Het is HAAR foto. -> Die foto is van HAAR ONA
    3. U hebt een papier. -> Het is UW papier. -> Dat papier is van U . PANI
    4. HIJ heeft de blaadjes. -> Het zijn ZIJN blaadjes. -> Deze blaadjes zijn van HEM ON
    5. WIJ hebben een lokaal. -> Het is ONS lokaal. -> Dit lokaal is van ONS MY
    6. JULLIE hebben een auto. ->  Dat is JULLIE auto. -> Die auto is van JULLIE WY

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.