SCHRIJVEN

Czasownik schrijven, czyli pisać

Czas teraźniejszy:

ik schrijf – ja piszę

jij schrijft – ty piszesz

hij schrijft – on pisze

wij schrijven – my piszemy

jullie schrijven – wy piszecie

zij schrijven – oni piszą

Ik schrijf een brief. – Piszę list.

Schrijf je dat met een hoofdletter? – Piszesz to z dużą literą?

Hoe schrijf je dat? – Jak to piszesz?

 

* * *

Czas przeszły dokonany

ik heb geschreven

jij hebt geschreven

hij heeft geschreven

wij hebben geschreven

jullie hebben geschreven

zij hebben geschreven

Heb jij dit boek geschreven? – Napisałeś tą książkę?

Marcin heeft deze brief in het Pools geschreven. – Marcin napisał ten list po polsku.

Nee, zij heeft dit geschreven. – Nie, ona to napisała.

 

* * *

Czas przeszły niedokonany

ik schreef

jij schreef

hij schreef

wij schreven

jullie schreven

zij schreven

Julka schreef me snel terug. – Julka odpisał do mnie szybko.

Wie schreef deze twee brieven? – Kto napisał te dwa listy?

Patryk schreef aan zijn moeder. – Patryk pisał do swojej matki.

 

* * *

Czas przyszły

ik zal schrijven

jij zult schrijven

hij zal schrijven

wij zullen schrijven

jullie zullen schrijven

zij zullen schrijven

Monika zal een brief schrijven. – Monika napisze list.

Zullen jullie …. schrijven. – Napiszecie ….

Ik zal morgen (…. ) schrijven. – Ja napisze jutro (….) .

 

* * *

Zachęcamy Was do dokończenia na różne sposoby poniższe zdania:

Ik schrijf ….

Zij schrijven ….

Wie schrijft …. ?

Karolina schrijft ….

Powodzenia w nauce 🙂

TEAM LEKCJA HOLENDERSKIEGO

 

Dodaj komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany.